Afscheid aan Leiden, uit 'Ik reikhals naar het graf' |
|
'k Verlaat u dan, ô dierbaar Leyden,
Voor mij hebt gij geen ruimte meer; Maar treffend is mijn hart dit scheiden, En nimmer ziet mijn oog u weêr. Ach, waarom mocht uw wal-omvademing, (Mij meer dan eens tot zielverademing Van uit den knellingneep der smart,) Naar 't steeds bestendig zielsverlangen, Den laatsten ademtocht niet vangen Van dit door 't wee gebrijzeld hart.
Doch gy, ô Leyden, bloem der steden;
|