| A |
| aans |
aanstonds
Ik kom aanst
|
| arebei |
bijnaam voor iemand met rood haar
Letterlijk betekent dit aardbei.
|
| B |
| bamboezuer |
bijnaam voor een feestneus en uitgaanstype
Vermoedelijk is het een verbastering van het Franse woord 'bambocheur': losbol of pierewaaier.
|
| begeur |
opschepper
Waarschijnlijk afkomstig uit het Frans (blageur: opschepper, snoever)
|
| bledder |
voetbal of hoofd
Waarschijnlijk afkomstig van het Engelse 'bladder' en dat 'blaas' betekent.
|
| brielen |
huilen
Afkomstig uit West Vlaanderen en verwant aan het Nederlandse 'brullen'.
|
| C |
| D |
| darm |
scheldwoord: lomperik, ellendeling
|
| deun |
strak, gespannen, schraal
De term is vermoedelijk afkomstig uit de textielnijverheid: wanneer de stof krap gestikt was, dan was er te deun gestikt.
Uitdrukkingen zijn bijvoorbeeld:
Iemand het deun aan de schenen leggen: Iemand goed de waarheid zeggen.
Bij iemand deun aan het hart liggen: bij iemand in de gunst staan, hart.
Te deun aan de tram lopen: te dicht langs de tram lopen
Niet zo deun kijken!: Niet zo nauw kijken!
|
| in de dreig staan |
twijfelen
|
| dul |
naïef, sullig
In het Leids bestaat ook de term dullie: een sullig, naïef meisje. Dit woord is verwant aan het woord 'dol'. In het Engels komt het nog wel voor en betekent het 'saai'.
|
| E |
| F |
| faken |
slecht mens
|
| 't fonkst |
fonds
Hiermee wordt het Ziekenfonds bedoeld.
|
| G |
| Glipper |
bijnaam voor een inwoner van Leiden
Vermoedelijk afkomstig van het werkwoord glippen: wegvluchten.
Aanvankelijk betekende 'glipper' dan ook vluchteling en werd het tijdens de tachtigjarige oorlog gebruikt als scheldnaam voor mensen die uit de steden waren weggevlucht. Over het algemeen waren ze rooms- en Spaansgezind en heulden ze met de Spaanse vijand. In feite waren het collaborateurs.
Later groeide deze scheldnaam uit tot geuzennaam!
|
| gonzen |
gutsen
('Het zweet gonsde van mijn voorhoofd')
|
| H |
| hereboon |
sperzieboon
|
| hokkefaaien |
stoeien, scharrelen
Waarschijnlijk is het een verbastering van huikefaken
|
| huiken |
hurken
|
| I |
| J |
| juh! |
joh!
Dit komt van het woorden 'jongen'
|
| K |
| kanekop |
kale kop
|
| kietelton |
afvalbak
Oorspronkelijk werd hier een houten poepdoos mee bedoeld. Ook bekend als kiebelton of kiepelton
|
| klus |
platte, brede kin met vooruitstekende onderkaak
Verbastering van kluts.
|
| knors |
clandestiene slager
Knors is verwant aan knars: hoofd. Knors betekent eigenlijk kraakbeen
|
| Koeliekerk |
bijnaam voor de Hartebrugkerk
Boven het portaal van de kerk staat in gouden letters geschreven: hic domus dei est et porta coeli. Dat is Latijn voor 'dit is het huis van God en de poort naar de hemel'. Het Latijnse woord 'coeli' is verbasterd tot koelie. Vandaar de Koeliekerk!
|
| koekerroe |
een gek, een dwaas
|
| kooiboy |
bijnaam voor een inwoner van de Kooi: een wijk in Leiden.
|
| kouwe benen |
koude voeten
|
| kraaiedalerr |
hond zonder stambom, vuilnisbakkie
|
| kramerij |
gerecht dat lijkt op hangop
Zoetemelk wordt samen met karnemelk gekookt. Daarna doe je het in een melkdoek en hangt die op een koele, donkere plaats. De wei druipt eruit en een dikke brij blijft over.
Waarschijnlijk is het woord een verbastering van het Franse crème bouilli, gekookte room. In Frans-Vlaanderen is dit beter bekend als cremoli en wij hebben hier kramerij van gemaakt.
|
| kroten |
rode bieten
Afkomstig van het Franse woord carotte.
|
| L |
| lijer |
scheldwoord voor lichaam
Vermoedelijk afkomstig van het werkwoord 'lijden' ( 'n klap voor z'n lijer krijgen).
|
| M |
| meleur |
onverschilligheid
Meleur stamt van het Franse maleur: ongeluk, last, narigheid (het zal mij een meleur zijn: wat kan mij dat nou schelen)
|
| mert |
stront
Afkomstig van het Franse woord 'merde', wat stront betekent(ergens mert an hebbe'; ergens schijt aan hebben)
|
| metse |
wedstrijd
Leidse versie van het engelse woord 'match'
|
| N |
| neuzen |
gluren, kijken
|
| O |
| oeter |
beginstreep bij het knikkeren
Afkomstig van het Franse woord 'outre': aan de andere kant, aan de overkant'.
|
| onkant |
ongelijk
|
| P |
| paggedet |
dikke vrouw
Waarschijnlijk afkomstig uit West-Vlaanderen.
|
| Pakhuisdomine |
bijnaam voor het pand aan de Pieterskerkgracht, waar Ars Aemula Naturae is gevestigd.
Op de gevel staat 'pax huic domui', wat zo veel betekent als 'vrede zij dit huis' In de volksmond werd dit al snel pakhuisdomine.
|
| parg |
dwerg, onderkruipsel, klein gedrocht
Parg heeft een negatieve betekenis en wordt meestal als scheldwoord gebuikt (vuile parg!). De verkleinvorm is parrechie.
Waarschijnlijk is het een verbastering van het West-Vlaamse 'perluintje': klein mens. Anderen denken dat het afkomstig is uit het Jiddisch, waar het 'schurfthoofd' betekent.
|
| bij iemand in de perremetasie zitten |
familie van iemand zijn, met iemand verwant zijn.
Vermoedelijk afkomstig uit het Frans: parrentage.
|
| peuren |
vis, vooral aal en paling, vangen met een peur.
Een peur is een vistuig dat bestaat uit een lijn waar onderaan een trosje wormen is bevestigd met een stukje lood als gewicht. De peur wordt aan een stokje bevestigd en bij het vissen op en neer bewogen.
Peuren betekent ook 'in iets roeren, in iets wroeten (zit niet in je neus te peuren')
|
| ponteneur |
opschepper
Ook wel verkort tot teneur. Het is een verbastering van het Franse point d'honneur.
|
| poppeka |
opgedirkt meisje
Waarschijnlijk een verbastering van poppekas: een vitrine van glas waarin in de 17de eeuw vrouwen hun deftig geklede poppen uitstalden.
|
| Pret van 12 tot 1 |
bijnaam voor het gebouw van Christelijke Jongelings Vereeniging in de Jan Vossensteeg.
Op de gevel van dit gebouw stond en staat nog steeds 'Pred.: 12-1A' vermeld. En dat werd al gauw verbasterd tot: pret van 12 tot 1.
|
| Q |
| R |
| reu-nest |
omgewoeld bed
Alsof er een hond in heeft geslapen
|
| ridderen |
opruimen, schoonmaken
Verwant aan het woord 'redderen'
|
| S |
| op selet zitten |
ergens opgedirkt zitten
Vermoedelijke komt 'selet' van het Franse salette: een soort salon of mooie kamer.
|
| slachten |
lijken op
Dit woord is met de Vlaamse immigratie naar Leiden gekomen.Het is verwant aan geslacht, in de zin van voorvaderen waar je meestal ook op lijkt (Jij slacht me wat: ik ben precies hetzelfde als jij)
|
| spreken |
groeten
Dit woord komt ook in Antwerpen voor (ze spreekt niet tegen me als ze moet straat tegenkomt: ze groet me niet als ze me op straat tegenkomt)
|
| Stijfselbaan |
traject (baan of gracht) waar arbeiders in hun gesteven katoentjes flaneerden
Waarschijnlijk lag deze baan op de Botermarkt en de Vismarkt, Breestraat, Kort Rapenburg, Prinsessekade, Steenstraat en Stationsweg.
Ook wel stijfselgracht genoemd.
Ook in werkwoordsvorm bestaat het. Stijfselen: drentelen, flaneren op de stijfselbaan.
|
| stinkdeken |
snol, slet
Zij heeft immers het bed gedeeld met vele mannen
|
| T |
| taaie |
dubbele borrel
|
| takkedemies |
Academisch Ziekenhuis Leiden, dat tegenwoordig Leids Universitair Medisch Centrum heet.
|
| triep |
ingewanden zoals hart, maag, lever en longen, bedoeld voor consumptie
Afkomstig van het Franse tripe: ingewanden, pens.
|
| tuit hebben |
verbeelding hebben, opscheppen
Vergelijk ijdeltuit.
|
| U |
| uitheiligen |
elkaar op een gemene manier de waarheid zeggen
|
| V |
| vetweier |
scheldwoord voor een dikke man.
Een vetweier is een koe die men in de wei laat lopen tot ze vetgemest -een 'dikke koe- is.
|
| viezik |
viezerik
|
| W |
| wegkruipertje |
verstoppertje spelen
|
| X |
| Y |
| Z |
| zinksnijer |
grote, kromme neus
Afkomstig uit de zinkbewerking, waar met een zinksnijer een krom, stalen mes werd bedoeld.
|
| zot |
gek, dwaas
Vermoedelijk is het woord meegekomen met de immigratie van de de Vlamingen.
|